Diafragma

 

De juiste belichting van een film wordt bereikt door de juiste combinatie van sluitertijd en diafragma (de lensopening). Daar waar de sluitertijd invloed heeft op het al dan niet 'bevriezen' van een beweging, heeft de keuze voor een bepaald diafragma invloed op de scherptediepte van een foto.

Scherptediepte

Het diafragma (of de lensopening) bepaalt naast de hoeveelheid binnengelaten licht ook de scherptediepte. Wanneer je een foto wil maken waarbij slechts een beperkt deel scherp moet zijn, kies je voor een diafragma met een kleine scherptediepte, bijvoorbeeld 2.8 of 4. Wil je in het beeld zoveel mogelijk scherp krijgen, zowel in de voorgrond als in de achtergrond, dan kies je voor een kleiner diafragma (11 of 22). De scherptediepte wordt daardoor groter. (De meeste camera's hebben een diafragmaschaal van 2, 2.8, 4, 5.6, 8, 11, 16 en 22).

Met scherptediepte wordt het gebied bedoeld (van voor tot achtergrond) dat 'scherp' op de foto komt. In principe stel je scherp op het onderwerp van de foto. Naast het onderwerp zal ook een deel van de voor- en achtergrond scherp op de foto komen. Hoe groot dit gebied is, is mede afhankelijk van het gekozen diafragma. Hoe groter de lensopening, des te kleiner het gebied dat scherp op de foto komt.

Afhankelijk van de foto die je maakt kun je voor een bepaalde scherptediepte kiezen. Zo willen we bij het fotograferen van deze man in Zuid-India de achtergrond onscherp hebben. De reden hiervoor was dat de achtergrond geen informatie toevoegde en een scherpe achtergrond de aandacht van het onderwerp (het gezicht van de man) zou afleiden. Kies daarom voor het grootste mogelijke diafragma (f2.8).

Er zijn echter ook situaties waarbij je een groter gebied scherp op de foto afgebeeld wilt hebben. Bij deze foto willen we niet alleen de schoolkinderen op de voorgrond, maar ook de de tempel op de achtergrond scherp afgebeeld hebben. In dit geval is namelijk het scherp afbeelden van de achtergrond duidelijk een toegevoegde waarde omdat het iets vertelt over de foto (op groep schoolkinderen op bezoek bij een tempel). Kies daarom voor een klein diafragma. Dat kon hier omdat er voldoende licht was en de sluitertijd daardoor niet onacceptabel lang werd.

Wil je weten hoe groot de scherptediepte is bij bepaalde instelling op jouw camera, ga dan naar de Online Depth of Field Calculator.

De grootte van het diafragma wordt uitgedrukt in f-waarden (f-getal). Hierbij is het verwarrende dat een groot diafragma wordt aangeduid met een laag f-getal (bijv. f2.8), terwijl een kleine lensopening wordt aangeduid met een hoog f-getal (bijv. f32). De diafragmawaarden die je op de camera in kunt stellen zijn, net zoals dat bij de sluitertijd het geval is, gestandaardiseerd. Iedere wijziging van het diafragma waardoor de hoeveelheid licht dat op de film valt halveert of verdubbelt wordt een 'stop' genoemd.

f2.8

f4

f5.6

f8

f11

f16

f22

 

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

 

6 stops

Om de foto goed te belichten zal voor elke stop waarmee het diafragma wordt aangepast de sluitertijd ook één stop aangepast moeten worden. Stel dat een foto goed belicht zou worden bij diafragma van 2.8 en een sluitertijd van 1/1000 seconde, de reeks zou er dan als volgt uit komen te zien:

f2.8

f4

f5.6

f8

f11

f16

f22

1/1000

1/500

1/250

1/125

1/60

1/30

1/15

 

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

1 stop

 

6 stops

Maar stel je gebruik een 80-300mm f4 objectief en je wilt onder de hierboven geschetste omstandigheden zonder statief een foto maken. Uitgaande van een brandpuntsafstand van 80mm en de vuistregel dat de sluitertijd minimaal de brandpuntsafstand van het objectief moet zijn, is de langzaamste sluitertijd die je in dit geval kunt kiezen 1/125 seconde. Je zult in dit geval één van de volgende combinaties moeten gebruiken:

f4

f5.6

f8

1/500

1/250

1/125

Wat de beste keuze is, is afhankelijk van de gewenste scherptediepte en de vraag of je al dan niet een beweging wilt 'bevriezen'.

Maar stel dat je behoorlijk wilt inzoomen op het onderwerp en de foto wilt maken met het objectief ingesteld op een brandpuntsafstand van 300mm. De enige combinatie die dan nog mogelijk is is:

1/500

f4

Zoals je ziet heb je dan weinig meer te kiezen m.b.t. de scherptediepte.

Als je vooraf kunt weten dat je ergens foto's gaat maken waar deze laatste situatie zich regelmatig voor zal doen, kun je beter voor een snellere film kiezen. Stel dat bovenstaande schema's gebaseerd zijn op het gebruik van een 100 ISO film. Op het moment dat de deze film vervangt door een eens zo snelle film (200 ISO) zal de eerste reeks er als volgt uit komen te zien:

f4

f5.6

f8

f11

f16

f22

f32

1/1000

1/500

1/250

1/125

1/60

1/30

1/15

Op het moment dat je nu gebruik maak van de kortste brandpuntsafstand van jouw objectief (80mm) zijn de volgende combinaties mogelijk:

f4

f5.6

f8

f11

1/1000

1/500

1/250

1/125

Bij een brandpuntsafstand van 300mm heb je nu keuze uit de volgende mogelijkheden:

f4

f5.6

1/1000

1/500

Zoals je ziet zijn je keuzemogelijkheden voor het diafragma mede afhankelijk van:

·         de gewenste scherptediepte

·         de keuze voor een bepaalde sluitertijd

·         de aanwezige hoeveelheid licht

·         de lichtsterkte van de gebruikte objectieven

·         de keuze voor een snellere of langzamere film

·         het al dan niet gebruiken van een statief